Proloog
Ik trek mijn jas aan en geef mijn partner een kus. Eenmaal op de trap bel ik een goede vriend. Zodra hij opneemt begint hij te lachen, we kennen elkaar maar al te goed, en de afgelopen maanden is er weer zoveel gebeurd. Ik loop een ronde van een uur en blijf vertellen over onze dansavonden.
Wanneer ik mijn appartement alweer zie, floept het eruit: ik heb gewoon last van mijn buik. Kriebels, dagdromen, een lijf dat leeft van lucht. Hij lacht opnieuw: Je leeft niet van lucht, je leeft van liefde. En dit keer niet van je eigen partner. Je hebt rupsen in je buik. Ze kriebelen en wachten tot jij je eraan overgeeft.
Even blijft het stil. Ik zeg niets. Zijn woorden blijven hangen. Rupsen in mijn buik…
Rood licht, open raam
Na het eten maak ik me klaar voor een avond salsa. Samen met mijn danspartner, met wie ik al maanden dans, ga ik naar Hemmingways een klein eetcafé waar op vrijdagavond de tafels en stoelen verdwijnen en de vloer vrijgemaakt wordt.
Onder de douche was ik me met vanille en bourbon. Ik scheer mijn benen glad, smeer mijn huid in met dezelfde lotion. Warm. Zoet. Mijn blauwe ogen licht ik uit met een beetje make-up. Mijn haar krijgt volume, een vleugje spray.
Wanneer ik uit de douche kom, ruikt mijn partner in mijn hals. Een kus, een knuffel. Nog een drankje samen, dan achter zijn laptop. Ik pak mijn spullen, wens hem een fijne avond, en fiets naar mijn danspartner.
We dansen inmiddels drie maanden samen. Geen gebruikelijke dansheer, meestal assisteer ik, maar nu leer ik een nieuwe dans. Een dans die me laat zweven. Vlinders in mijn buik. Energie die me weer naar buiten trekt.
Bij zijn appartement komt hij net naar buiten. Een knuffel, een kus op de wang. Zijn diepbruine ogen vragen of ik zin heb om deze nieuwe plek samen te ontdekken. Salsa is niet onze gewoonte, maar als hij leidt, kan ik volgen. Op de fiets praten we over onze week. Ik let op de weg, maar mijn blik glijdt steeds naar zijn ogen, zijn lippen.
We parkeren onze fietsen. Hij houdt de deur open. Jassen uit, schoenen omgewisseld. Hij gaat door zijn knieën, zijn ogen glijden langs mijn benen. Het is uitzonderlijk warm voor april. Ik draag een zwart jurkje met kant, een stukje huid zichtbaar bij mijn middel.
Op de dansvloer lach ik. Niet alleen met mijn ogen, maar met mijn hele lijf. Hij komt dichterbij, legt zijn hand op mijn heup, fluistert dat ik heerlijk zoet ruik. Hij leidt me stevig, dichtbij. We hebben weinig ruimte, maar onze lichamen vinden elkaar.
De muziek wisselt van salsa naar zouk. De vloer loopt leeg, wij krijgen ruimte. Elke vezel in mijn lijf weet wat te doen. We draaien om elkaar heen, hij geeft me ruimte, laat me zweven. Mijn haren bewegen, de geur verspreidt zich. Bij elke draai hoor ik een zachte mmm.
Na een spin ben ik duizelig. Hij duwt me tegen zich aan. Extase. Head movements, mijn haren verspreiden geur, warmte. Ik voel me licht, gedragen.
De muziek verandert opnieuw. Bachata. Intiem. Ik sta dicht tegen hem aan. Zijn lichaam tegen het mijne. Ik zoek mijn grens. Mijn partner thuis, ik hier op de vloer. Tot nu toe nooit een probleem. Maar zijn ogen, zijn huid, zijn lippen maken me licht in mijn hoofd.
Ik denk aan de woorden van mijn vriend: Zolang je samen bent is het rood licht. Dan mag er niets gebeuren. Maar elke bachata maakt het moeilijker om afstand te houden. Mijn ogen strelen zijn huid, ik ruik zijn douchecrème.
Aan de zijkant van de dansvloer voel ik in mijn buik de rupsen één voor één uit hun cocon kruipen. Mijn lijf weet al wat mijn hoofd nog probeert te verbergen: de liefde klopt aan. De kriebels worden vlinders, hun vleugels slaan tegen mijn ribben. Mijn vingers glijden langs zijn arm, zijn hals. Ik bijt op mijn lip, te hard. Een druppel bloed. Ik slik het weg en kijk omhoog. Zijn ogen vangen de mijne. Hij voelt hetzelfde.
Zijn hand streelt mijn hals, brengt mijn gezicht dichterbij. Mijn huid tintelt. Ik geef me over. Zijn lippen raken de mijne. Onze tongen dansen. Niet op muziek, maar op het ritme dat onze ogen zagen. Vlinders in mijn buik. Zijn armen om mijn middel. Mijn hoofd vol. We zoenen.
We stappen op de fiets. Geen woorden. Alleen de warmte van de avond. Onderweg begint het te regenen. Het asfalt glinstert. Dikke druppels maken ons doorweekt. Bij zijn huis stoppen we. Mijn haar plat, onze lijven afgekoeld. Maar de regen telt niet.
Hij stapt dichterbij. Zijn handen op mijn hals. We zoenen opnieuw. We dansen deze dans. Samen. Dat was wat ik miste.
Red Light, Open Window
After dinner, I get ready for a night of salsa. Together with my dance partner—someone I’ve been dancing with for months—I head to Hemingway’s, a small café where, on Friday nights, the tables disappear and the floor is cleared for movement.
In the shower, I wash with vanilla and bourbon. Warm, sweet. I smooth my skin, choose a simple dress, highlight my blue eyes just enough. My hair falls into place.
When I step out, my partner kisses my neck. A shared drink. Then he turns back to his laptop. I gather my things, wish him a good evening, and cycle toward another story unfolding elsewhere.
Dancing with this partner is different. I usually assist, but now I am learning something new—a dance that lifts me, pulls me outward. Energy stirs, light and alive.
At his apartment, he steps outside just as I arrive. A hug, a kiss on the cheek. His dark eyes ask a silent question: shall we explore this place together? Salsa isn’t our routine, but when he leads, I follow. We ride through the evening, talking about our week. I watch the road, yet my gaze keeps drifting back to him—his face, his smile.
Inside, coats come off. Shoes change. He notices the warmth of April, the lightness of my dress. On the dance floor, I smile—not just with my eyes, but with my whole body. He moves closer, steadies me. The space is small, but our movements find each other naturally.
The music shifts. Salsa gives way to something slower, more fluid. The floor empties. We stay. Every part of me knows how to move. We circle, he gives me room, lets me float. My hair moves, my senses heighten. Time thins.
Then the rhythm turns intimate. Bachata. Close. I become aware of the distance between right and wrong, of the line I’ve always known how to keep. Home exists. So does this moment. And suddenly the red light feels brighter.
I remember my friend’s words: As long as you are together, there is a red light.
Yet each song makes restraint more difficult. The warmth. The familiarity. The sense of being seen.
At the edge of the floor, I feel the caterpillars awaken, one by one. My body understands what my mind hesitates to name. Something is beginning to change. What was restlessness becomes movement. What was waiting becomes flight.
Our eyes meet. No explanation needed. He reaches for me—not to claim, but to ask. I answer without words. For a brief moment, the world narrows to presence, to shared breath, to the undeniable truth of connection.
Later, we leave on our bikes. Silence wraps around us. Rain begins to fall, heavy drops shimmering on the pavement. We stop at his door, soaked and laughing softly, the night still warm between us.
This dance—this was what I had been missing.
Not the steps.
But the feeling of moving together.



