Samen met mijn nieuwe danspartner stap ik de kou in. De lucht is helder en stil, alsof de wereld even haar adem inhoudt. De sneeuw kraakt onder mijn voeten en mijn snowboots voelen zwaar, maar in mijn tas zitten mijn dansschoenen. Licht. Beloftevol. Ik haak mijn arm in de zijne. Eerst uit angst om uit te glijden, maar al snel omdat het zo vanzelfsprekend voelt dat ik het niet meer loslaat.
Binnen in de club valt de warmte als een golf over me heen. Mijn wangen gloeien meteen. Ik trek laag na laag uit. Sjaal, muts, handschoenen, jas, boots. Wat overblijft is mijn meshtop en het veel te grote vest dat ik ooit uit Budapest meenam. Het ruikt nog steeds een beetje naar zon, stof en vrijheid. Naar muziek die je in je botten voelt. Naar nachten die langer duurden dan gezond was.
Terwijl ik mijn vest ophang, glijdt mijn gedachten terug naar die ochtend op het festival. De zon die mijn tent in brand zette. Mijn benen die buiten de tent lagen, alsof ik al half uit mijn eigen leven was gegleden. De geur van stof, zweet en vrijheid. De ruzie met mijn vriendinnen die me achterliet in een soort vacuüm waar ik mezelf opnieuw moest uitvinden.
Mijn danspartner trekt me zachtjes mee de vloer op. Hij beweegt alsof hij hier thuis is. Alsof iedereen hem kent. Alsof ik degene ben die nog moet landen. Ik voel een lichte steek van ongemak, niet omdat hij zoveel mensen kent, maar omdat ik me ineens bewust ben van mijn eigen binnenwereld die nog ergens tussen sneeuw en festivalgrond zweeft. Gelukkig komen mijn vriend en hij nooit in dezelfde clubs. Sommige werelden moeten gescheiden blijven.
Hij praat met vrienden, maar ik ben al weg. Terug in Budapest. Terug bij de jongen met de bruine krullen die me een potje deo gaf alsof het een reddingsboei was. Terug bij de blonde reus die me uit de pit tilde alsof ik niets woog. Terug bij dat vest dat ik nooit meer heb teruggegeven.
Een kneep in mijn hand haalt me terug. Mijn danspartner glimlacht en neemt me mee de dansvloer op. De vloer is klein, te klein voor mijn onzekerheid. Hij draait me rond en ik bots bijna tegen een ander koppel. Schaamte brandt in mijn wangen. Maar na een paar rondjes en een gin-tonic later begint iets in mij los te komen. Alsof mijn lichaam zich herinnert hoe het is om licht te zijn.
Dan komt die geur voorbij. Diezelfde geur als op het festival. Een geur die me terugtrekt naar een versie van mezelf die ik soms mis. De versie die niet dacht, maar leefde. De versie die zich liet leiden door muziek. Niet de veilige pop die iedereen kent, maar de rauwe gitaren, de diepe bassen, de stemmen die schuren. De muziek die me altijd heeft geleerd dat chaos ook schoonheid kan zijn.
We dansen weer. Zijn hand in mijn hand. Zijn ogen in de mijne. Hoe langer ik kijk, hoe meer ik verdwijn in de lijnen, de diepte, de warmte. Alsof zijn ogen een landschap zijn waar ik niet mag komen, maar toch steeds een stap verder zet.
De bachata begint. Hij trekt me dichter naar zich toe. Mijn voorhoofd bijna tegen zijn hals. Zijn huid warm. Zijn geur zacht en donker tegelijk. Patchouli. Ik voel hoe mijn adem tegen zijn nek slaat. Hoe mijn vingers zijn huid raken zonder dat het per ongeluk lijkt.
En dan komt die snelle, verboden kus. Zo klein dat hij bijna niet bestaat. Zo groot dat hij de hele avond verandert.
De vlinders in mijn buik worden wakker alsof ze te lang hebben geslapen. Ze fladderen onrustig, alsof ze niet weten of ze blij moeten zijn of bang.
Hij wordt weggeroepen door een oude danspartner. Ik stap opzij, maar mijn lichaam blijft nog even bij hem staan. Ik weet dat we later samen naar huis lopen. Dat de sneeuw weer onder onze voeten zal kraken. Dat ik naast hem zal lopen met een stilte die meer zegt dan woorden.
Ik kijk naar de dansende mensen en glijd terug naar het festival. Naar de blonde reus die naast me in het gras zat. We zeiden weinig, maar we waren samen. Vrij. We spraken elkaars taal niet, maar onze lichamen verstonden elkaar moeiteloos. Zijn vest om mijn schouders. Zijn geur in mijn neus. Zijn knipoog de volgende ochtend toen hij wegliep met een nieuwe groep reizigers.
Voor één nacht waren we een verhaal. Daarna werd hij weer een herinnering. Maar zijn vest bleef. En soms vraag ik me af of ik het hield omdat het warm was, of omdat het iets in mij verwarmde dat ik niet wilde verliezen.
Mijn danspartner trekt me opnieuw de vloer op. Bachata. Zijn lippen bij mijn oor. Je bent afgeleid. Zullen we gaan?
We kleden ons weer aan. Eerst mijn geel-groene houthakkersvest. Dan mijn jas. Buiten ligt een nieuwe laag sneeuw. Ik haak mijn arm opnieuw in de zijne. De kou bijt in mijn wangen, maar iets in mij gloeit nog na.
We praten niet. We voelen alleen.
En ergens tussen de sneeuwvlokken en de stilte verlang ik naar die kus die niet had mogen gebeuren. Naar alles wat erachter schuilgaat. Naar het onbekende. Naar het verboden. Naar het zachte, melancholische tintelen van iets dat misschien nooit echt mag bestaan, maar toch blijft fluisteren in mijn huid. Misschien omdat het dezelfde plek raakt als mijn muziek. De plek waar het rauwe en het zachte elkaar ontmoeten. De plek waar ik mezelf het meest herken.







